Van F. Springer was al een poos geen nieuwe roman verschenen; nu is er dan de roman over Berlijn ten tijde van de Wende. Springer zat er toen zelf als ambassadeur. Er zijn schrijvers die je direct aan hun stijl herkent. Wanneer je niet zou weten door wie de tekst geschreven is, weet je dat bij Springer binenn een paar pagina's. De ironische ouwejongenskrentenbrood-setting (veelal met diplomaten die napraten in de bar van een goed hotel) en de vlotte uitspraken zijn typisch Springer. Teheran, een zwanezang vind ik zijn beste boek, omdat die setting het meest tragikomisch wordt uitgewerkt. Maar ook in Quadriga. Een eindspel valt er het nodige te genieten op dit gebied. Helemaal overtuigen doet de roman ook weer niet. Wanneer je zoals Springer hier doet het verhaal vanuit verschillende jaren laat vertellen, moeten die verschillende jaartallen een ondubbelzinnige en onontkoombare eenheid vormen. En dat doen ze m.i. niet. Het verhaal had net zo goed in een flashback verteld kunnen worden. Maar goed, zo'n lichtverteerbare Springer blijft lekker lezen.
Sinds 1989 houd ik een boekendagboek bij. Eerst op systeemkaartjes, daarna in een schrift. En sinds 2005 hier als weblog.
24 oktober 2010
Terug naar Berlijn
Van F. Springer was al een poos geen nieuwe roman verschenen; nu is er dan de roman over Berlijn ten tijde van de Wende. Springer zat er toen zelf als ambassadeur. Er zijn schrijvers die je direct aan hun stijl herkent. Wanneer je niet zou weten door wie de tekst geschreven is, weet je dat bij Springer binenn een paar pagina's. De ironische ouwejongenskrentenbrood-setting (veelal met diplomaten die napraten in de bar van een goed hotel) en de vlotte uitspraken zijn typisch Springer. Teheran, een zwanezang vind ik zijn beste boek, omdat die setting het meest tragikomisch wordt uitgewerkt. Maar ook in Quadriga. Een eindspel valt er het nodige te genieten op dit gebied. Helemaal overtuigen doet de roman ook weer niet. Wanneer je zoals Springer hier doet het verhaal vanuit verschillende jaren laat vertellen, moeten die verschillende jaartallen een ondubbelzinnige en onontkoombare eenheid vormen. En dat doen ze m.i. niet. Het verhaal had net zo goed in een flashback verteld kunnen worden. Maar goed, zo'n lichtverteerbare Springer blijft lekker lezen.
16 oktober 2010
Polio
In Nemesis, de jongste roman van Philip Roth heerst dood en verderf. De jonge meneer Cantor is leider van een speelplaats in newark, en in zijn wijk vallen de meeste slachtoffers van de polio-epidemie die zomer 1944 woedt. Pas aan het slot krijgt het verhaal een tragische ondertoon; de beschrijving van de gebeurtenissen zelf is vrij afstandelijk en objectiverend. De roman gaat over de wijze waarop een individu reageert op grote bedreigingen; dat dat individu er uiteindelijk een enorm schuldgevoel aan overhoudt is dan ook des te opmerkelijker. Dit is misschien niet Roths meest sublieme roman die ik van hem gelezen heb, maar wederom weet Roth je bij je lurven te grijpen en je aandacht vast te houden. Dit zijn nog steeds slappe leestijden, maar dit boek las ik binnen 48 uur uit.
26 september 2010
Busreis
De nieuwste roman De laatste liefde van mijn moeder van Dimitri Verhulst zal zeker niet tot een hoogtepunt uit zijn oeuvre gerekend gaan worden, ook al ben ik er enkele keren flink door in lachen uitgebarsten. Het verhaal is vrij eendimensionaal, en vooral een kapstok om ironische of cynische uitspraken over van alles en nog wat aan op te hangen. Die zijn dikwijls zeer de moeite waard, zeker wanneer ze in die prachtige Verhulst-stijl geschreven zijn. Het is vooral de vorm die dit boek weer zeer lezenswaardig maakt, en ofschoon ik nog steeds in een flinke leesdip zit, zorgde dit boek weer voor enkele lekkere leesuurtjes. Geen hoogtepunt, maar gewoon een lekker fraai geschreven boek.
19 augustus 2010
?
Dit meenemertje uit de boekhandel bleek een eigenaardig en aantrekkelijk boek. De vragende vorm van Padget Powell bestaat slechts uit vragen. Iedere zin is in de vragende vorm, er zit geen verhaal in. Je wordt als lezer permanent uitgedaagd, ook heeft het lezen van alleen maar vragen iets hallucinerends; sommige vragen zijn grappig, sommige bizar en onzinnig en te Amerikaans, maar sommige zeer confronterend. Ik had bij het lezen van deze 170 bladzijden vol vragen een potloodje bij de hand om opmerkelijke vragen aan te kruisen. Ik geef er een aantal, dan heb je een indruk van het boek, ook al heb ik vooral de meest aardige of denkwaardige aangetekend, maar goed: Zou je willen dat je had begrepen wat je niet hebt begrepen in elke situatie van onbegrip op elk gebied en op elk moment van je leven? Beschouw je leven volgens vaste patronen als bevrijdend of beperkend? Heb je ooit gedacht dat je in zekere mate gestoord was? Wat is het leukste wat je op dit moment zou kunnen doen? Is begrijpelijkheid te danken aan de intelligentie van de spreker, van de toehoorder of van beiden? Zitten er hiaten in je karakter? Hoeveel schroevendraaiers denk je dat nodig zijn voor bekwaam en normaal onderhoud in huis? Heb je verstrekkende plannen voor zelfontplooiing of heb je het vrijwel opgegeven op dat gebied? Is het hele leven onbenullig, of is het grotendeels onbenullig met kortstondige pieken van benulligheid, of is het een spectrum van onbenulligheid tot benulligheid waarin mensen verschillende posities innemen, en zijn die posities op dat spectrum van onbenulligheid vast of variabel? Wat ik bedoelde was: kun je net als de schuif van een trombone omhoog- en omlaagglijden over het spectrum van onbenulligheid tot benulligheid of toeter je de godganse dag dezelfde domme of minder domme toon?
05 augustus 2010
Moorden en eten
Het diner van Herman Koch bleek een enorme bestseller, lange tijd slechts als dure hardcover verkrijgbaar; nog voordat ik de onlangs goedkope 'midprice' kon kopen kreeg ik het cadeau. Ik las het in enkele dagen uit. Een heuse pageturner, maar geen boek dat bevredigt. Er klopt heel veel niet in dit boek. Geen enkel restaurant dat champagne van het huis aanbiedt, gerechten als 'lamszwezerik gemarineerd in Sardijnse olie met rucola' serveert en een gerant in dienst heeft die dergelijke gerechten met zijn pink uitlegt, zal als dessert dame blanche op de kaart hebben staan. Alleen wie nooit in de duurdere restaurants komt maar er wel een beeld bij denkt te hebben, gelooft dat Koch een rake karikatuur hiervan geeft. Het perspectief is evenzeer matig: de ik-figuur is aanvankelijk slechts een verteller, maar blijkt gaandeweg deelnemer in het complot, en uiteindelijk zelfs hoofdpersoon. Hij weet meer dan je als lezer tijdens de eerste honderd bladzijden te weten komt. Deze ik-figuur houdt je dus aanvankelijk voor de gek, zonder dat daar vanuit zijn eigen perspectief aanleiding toe is. Uiteraard een truc van de schrijver, maar die verwart zodoende de scheiding tussen auteur en vertellende ik-figuur. Het diner zelf (bedoeld om de hele toestand eens goed te bespreken) blijkt eerder een afleiding daarvan. Terugblikken van de ik-figuur over andere, reeds eerder voorgevallen situaties laten jou als lezer de puzzel voltooien. Als er één situatie in het boek er uiteindelijk niet toe doet is het wel 'Het diner'. Ook in het detail rammelt het. Hoofdstuk 35, waarin broer Paul en schoonzus Babette bij de ik-figuur langskomen om de jonge Michel op te halen (moeder ligt in het ziekenhuis, het huis vervuilt): er is een discussie tussen de ik-figuur en Babette, en de ik-figuur mompelt nog dan nog wat: Maar Babette was ondertussen de trap naar boven opgelopen en stond al in de deur van Michels kamer. Daar zat Michel te midden van zijn speelgoed op de grond, hij was juist bezig honderden dominostenen achter elkaar te zetten, in een imitatie van World Domino Day, maar toen hij zijn tante zag, sprong hij op om zich in haar uitgestrekte armen te storten. Dit kan gewoon niet: Babette discussieert beneden met de ik-figuur die nog wat mompelt, maar zij was ondertussen al de trap opgelopen. En die ik-figuur weet exact wat er daarboven zich afspeelt, alsof hij dus eerder boven is dan Babette en het vervolg als alwetende verteller uitlegt. Niks meer en minder dan een overtreding van de regels van het vertellersperspectief. Literair prutswerk. Een pageturner, inderdaad, een boeiend gegeven bovendien, maar slecht geconstrueerd. Een goed boek schrijven is meer dan een spannend verhaaltje semi-literair presenteren! Herman Koch zou Jeroen Brouwers en Gustave Flaubert eens aandachtig moeten bestuderen; die hebben de basale literaire technieken inzichtelijk uitgelegd.
30 juli 2010
Moorden en gedichten
Ik lees ieder jaar wel een thriller, meestal van Val MacDermid en/of Michael Connelly. Ze zijn steevast goed geconstrueerd en meeslepend: je wordt voortdurend op het verkeerde been gezet bij het uiteenrafelen van 'hoe het allemaal gegaan moet zijn', waarbij ook het heden in het verhaal zelf er een schepje bovenop doet. In De dichter van Connelly is dat niet anders, maar toch vind ik het minder geslaagd dan andere thrillers die ik van Connelly las. De oplossing van de gepleegde moorden is vooral een psychologisch proces bij de ik-figuur, en dat weet Connelly niet geheel overtuigend te beschrijven. Het heden in het verhaal speelt te weinig een spanningverhogende rol. Bovendien lijdt het boek aan 'technische veroudering': het speelt zich af ergens in de eerste helft van de jaren negentig, en de technische communicatiemiddelen waar met name de dader gebruik van maakte zijn sindsdien flink geëvolueerd. Enfin, geen topper, maar in deze tijden van algehele leesslapte voldoende aantrekkelijk om toch, hetzij in kleine stapjes, door te blijven lezen.
30 juni 2010
Bizar
Ik werd van verschillende kanten geattendeerd op de eigenaardige verhalen van de Israëlische schrijver Edgar Keret; hij geldt als de belangrijkste jonge schrijver daar, maar zijn spaarzame in het Nederlands vertaalde titels zijn alweer (bijna) niet meer leverbaar. Gaza blues is een dubbelpublicatie samen met de Palestijnse schrijver Samir El-youssef, een wat geforceerd-vriendschappelijke bundeling die inhoudelijk geen raakvlakken heeft. Diens lange verhaal De dag dat het beest dorst kreeg is bovendien minder aantrekkelijk dan de 15 zeer korte, en eigenaardige, soms zelfs absurdistische verhalen van Keret.
Evenals in Pizzeria Kamikaze dat ik in één moeite meenam betoont Keret zich een schrijver die 'out of the box' schrijft. De verhalen lijken ogenschijnlijk heel alledaags, maar altijd zit er een raar kantje aan: of de hoofdpersoon is echt geschift, of het verhaal speelt zich af in een niet-bestaande omgeving die verder heel gewoon lijkt, of het houdt opeens midden in een zin op, enzovoort. Sommige verhalen zijn wat vergezocht, maar er ziten ook juweeltjes tussen, zoals Krankzinnige lijm uit Gaza blues, waar een relatie op een wel erg bijzondere wijze beslecht wordt. Het titelverhaal Pizzeria Kamikaze speelt zich af aan gene zijde van de dood; alle zelfmoordenaars leven daar een heel gewoon leven. Een beetje vreemd allemaal, deze twee boeken, maar wel lekker lezen.
25 mei 2010
Niet tobben
Van de vele brievenboeken van Gerard Reve had ik de door 'kenners' als belangrijkste daarvan aangemerkte bundel Brieven aan Josine M. 1959-1982 nog niet eerder gelezen. Toen ik het boek onlangs in een antiquariaat aantrof kon deze lacune worden ingevuld. Tot 1974 schreef hij overigens aan de gezusters Meijer; na het overlijden van Lennie alleen aan Jobs. Reve leerde haar kennen via de redactie van Tirade, waarvoor zij bijdragen schreef. Met name haar astrologische activiteiten vielen bij Reve blijkbaar erg in de smaak. Gedurende de gehele periode die deze bundel beslaat, vraagt Reve aan Jobs welke periode volgens de hemellichamen het beste is voor een reis, voor het schrijven aan een nieuw boek, voor een verbouwing aan zijn huis etc. Ook de vele vriendjes die tijdens deze periode voorbijkomen worden in opdracht 'gewicheld'. Er is geen brievenboek van Reve waarin hij zo uitgebreid en openhartig zijn ideeën over en ontwikkeling naar het katholicisme beschrijft. Dat maakt deze verzameling een schatkamer voor Reve-vorsers. Het tweede deel van de Reve-biografie van Nop Maas ligt klaar om gelezen te worden, maar het zal mij niet verbazen wanneer daarin veel uit juist deze bundel brieven geciteerd wordt, omdat deze als geen andere een zo evenwichtig mogelijk inzicht geeft in Reves eigen kijk op zijn leven gedurende deze periode. Daarnaast natuurlijk veel superieure zinnen en uitdrukkingen. Veel literatuur verbleekt bij wat Reve in een doodgewone brief aan schoonheid op papier zette...
16 mei 2010
Koning Radboud de derde

Mijn moeizame-lezenperiode duurt voort. Anders gezegd: de kwaliteit prevaleert dezer weken boven de kwantiteit, en daar valt ook veel voor te zeggen. Het zal te zijner tijd hier wel duidelijk worden gemaakt. Een plezierig tussendoortje is Huize Het Gras. Met Gerard Kornelis van het Reve in Greonterp van zijn toemalige vrienden Teigetje & Woelrat. Het fotoboek met begeleidende teksten geeft een fraai beeld van de tien jaar dat Reve op het Friese platteland woonde, de eerste jaren alleen met Teigetje, vanaf eind 1969 ook met Woelrat. De 40 foto's worden dienstbaar beschreven en vullen fraai het beeld aan dat ook uit de brieven van Reve uit deze periode naar voren komt: veel geklus aan huis en tuin, en de rust van een landelijk bestaan aan het einde van de jaren zestig. Tja, zulke oerhollandse vrouwen als Sjuwke Hofmeijer op foto 25 ('dit soort boeken willen wij niet lezen') lijken uitgestorven te zijn.
28 april 2010
Brieven aan de jeugd
In plaats van een boekenweekessay verscheen deze boekenweek 2010 naast het boekenweekgeschenk een verzameling brieven van 75 auteurs aan hun jongere ik. Titaantjes waren we is een gevarieerd geheel met aardige, mooie en soms ook wat saaie brieven. De meeste schrijvers slagen er eigenlijk niet in iets bijzonders te maken van hun opdracht om aan hun jeugdige ik een brief te schrijven. Zij blijven hangen in een betweterige toon: wat jij nog niet weet... Toch bevat het boek enkele juweeltjes, zoals van Midas Dekkers en Ted van Lieshout. Het boek bleek een prima reisbegeleider tijdens de vele korte treinreizen die ik dezer dagen maak: geen treinreis zo kort of je kunt wel een of twee stukjes lezen. Maar nu snel over op substantiëler leesvoer.
17 april 2010
Psychische oorlog
Ik lees opeens een stuk minder; moeizamer ook. Ik ben in teveel boeken tegelijkertijd bezig, en daarvan waren er ook nog eens twee in het Engels, wat me te weinig eenvoudig afgaat. Enfin, nu nog maar een Engels boek, want Regeneration van Pat Barker is nu uit. Het is een roman met een fraaie thematiek: de behandeling van frontsoldaten met een psychisch trauma tijdens de Eerste Wereldoorlog, met als doel hen weer geschikt te maken om terug te keren naar het front. Het verhaal speelt zich grotendeels af in het verpleeghuis Craiglockhart in Noord-Engeland dat daarwerkelijk heeft bestaan, evenals de belangrijkste personages. Toch komt het geheel maar moeizaam tot leven. De behandelend arts William Rivers komt weliswaar in gewetensnood, maar zijn eigen psychische strijd blijft te veel onder de oppervlakte. Ook de relatie tussen de twee dichters Siegfried Sassoon en Wilfred Owen krijgt nergens echte diepgang. Barker stipt veel onderhuidse tegenstellingen aan, maar het daadwerkelijke gevecht blijft uit. Wellicht dat dit in de twee vervolgdelen van wat tot een onbedoelde trilogie is uitgegroeid alsnog gebeurt?
20 maart 2010
Boekenweek 2010
Mijn boekenweek begon op de meest begerenswaardige plek daarvan: de Stadsschouwburg van Amsterdam. De man van een ex-collega was ziek en zo belde ze me op die dinsdagochtend op of ik 's avonds meewilde naar het Boekenbal. En zodoende vandaar zat ik die avond pontificaal - in smoking - in het midden op de eerste rij van het eerste balkon in de grote zaal van de Stadsschouwburg, nog voor Joost Zwagerman, en genoot daar van het zaalprogramma waarin Adriaan van Dis de show stal met een geweldige performance, Midas Dekkers zijn droogkomische brief aan zijn eerdere ik voorlas, Marjolein Februari intrigeerde met een voor het publiek confronterend en in woordkeuze afgewogen relaas waarin zij de lezer meer macht dan de schrijver toedichtte en dichter des vaderlands Ramsey Nasr de zaal tergde met een veel te lang gedicht. Daarna deden we wat gebruikelijk schijnt te zijn bij het Boekenbal: door de drommen celebrities en aanverwanten banjeren, ook al voelden wij ons als boekenmakers en lettervreters daar natuurlijk meer op ons plek dan die televisiepresentatoren en dat andere vluchtige-mediagespuis die de moderne mens juist van het boekenlezen afhouden. De drank was goed maar de catering viel wat tegen, dus we besloten het Boekenbal op eigen wijze af te sluiten met kroketten en patat bij de Febo in de Leidsestraat. De mythe van het Boekenbal is wellicht inhoudsvoller dan de gebeurtenis zelf, maar je hoort mij er geen kwaad woord over zeggen...Het boekenweekgeschenk Duel van Zwagerman is een geslaagd verhaal waarin de verschillende dimensies van (het wereldje van de) moderne kunst tegen het licht wordt gehouden. Het ene moderne, wereldberoemde schilderij, een moderne kunstenaar, de kunstkritiek, de conservator en de museumdirecteur: Zwagerman brengt deze niveaus allemaal onder in één rechtlijnig verhaal. De dubbele proloog en epiloog verlenen extra diepgang en interpretatievrijheid voor de lezer. Goed gedaan!
19 maart 2010
Bernilo
Van Annejet van der Zijl las ik eerder al Anna, de biografie van Annie M.G. Schmidt en Sonny Boy, twee vlot lezende en goed gedocumenteerde boeken. Bernhard. Een verborgen geschiedenis leest wederom vlot, maar is bovenal een onthullend en on-biografisch boek. In de eerste 100 bladzijden van dit boek komt Bernhard zelf nauwelijks voor; hier schetst Van der Zijl de wereld waaruit Bernhard voortkwam: de Duitse adel die in 1918 onttroond werd en nadien een krampachtig bestaan voerde. Dat gold zeker voor de Von Lippe-Biesterveld's, die al in de negentiende eeuw met veel pijn en moeite hun adellijke status bevestigd moesten zien te krijgen. Van der Zijl beschrijft de levenswandel van Bernhard tot net na de Tweede Wereldoorlog; daarna was zijn leven als Prins-Gemaal voor de schrijfster niet interessant genoeg meer en het onderzoeken van die jeugdjaren leverde al een goed beeld van Bernhard op. Bovendien was dat het deel van zijn leven waarover het minst bekend (of het meest verduisterd) werd. Bernhard deed zich altijd beter voor dan hem toekwam, en als charmeur genoot hij bij velen grote populariteit (niet in het minst bij Juliana). Maar zowel over zijn afkomst als over zijn rol tijdens de oorlog bestonden er grote verschillen tussen fictie en werkelijkheid. Dit boek maakt op een toegankelijke wijze duidelijk dat Bernhard van zijn leven een opgepoetste mythe maakte: onthullend. Als conclusie schrijft Van der Zijl dan ook:Dat Bernhard vanuit het standpunt van de monarchie bezien desondanks toch als mislukking in de boeken moet worden bijgeschreven, komt dan ook niet door de vele vrijheden die hij zich veroorloofde of de nonchalance waarmee hij dat deed, maar omdat hij zo onverstandig was om in zijn eigen mythe te gaan geloven en de verleiding niet kon weerstaan om die mythe, als zijn eigen spindoctor, te blijven manipuleren.
15 maart 2010
Burgeroorlog
Een onlangs verschenen biografie over Ryszard Kapuscinski onthulde dat de alom geprezen Poolse journalist het niet altijd even nauw nam met de werkelijkheid. Volledig uit zijn duim gezogen heeft hij zijn verhalen ook niet, en zeker na verloop van tijd is het beeld dat Kapuscinski schetst belangrijker dan het waarheidsgehalte van enkele details. De twee boeken die ik eerder van hem las - zie de auteurslijst - vond ik beide geslaagd; zo ook Nog een dag over de burgeroorlog in 1975 in Angola. De Portugezen trokken zich dat jaar uit dat land terug (na de Anjerrevolutie in eigen land), waarna Angola het strijdtoneel werd van allerlei groepen waarvan sommige werden gesteund door het Westen en andere door de Sovjet-Unie en Cuba. Chaos alom; iedereen vocht tegen iedereen en iedere dag dat je leefde was er eentje extra. Kapuscinski is zijn leven zelf ook niet zeker: als Pool was hij daar om het communistische Oostblok verslag te doen van het strijdverloop. Ondanks die achtergrond en ondanks de twijfels over het eventuele waarheidsgehalte van sommige details: Kapuscinski schetst in nog geen 200 bladzijden een beklemmend beeld van een burgeroorlog van binnenuit zoals je zelden te lezen krijgt. En zulke burgeroorlogen worden nagenoeg permanent wel ergens gevoerd.
07 maart 2010
Populisme
Op de avond van de gemeenteraardsverkiezingen keek ik eens niet naar de uitslagen - al die staafdiagrammen en luidruchtige zaaltjes vol juichende winnaars en verliezers worden een beetje eentonige televisie. Ik kocht die ochtend het boekje Waarom is de burger boos? Over hedendaags populisme van Maarten van Rossem en las het die avond in één keer uit. Zijn melig-koelbloedige analyses zijn doorgaans fijn leesvoer, en ook in dit boekje staan enkele verhelderende inzichten. Het antwoord op de vraag uit de titel is vrij simpel: een deel van de bevolking voelt zich democratisch murw, en geeft daarvan de politieke en maatschappelijke elite de schuld. Populistische politici spelen daar sluw op in. Ik had echter een wat grondiger analyse verwacht. Dit boekje is grotendeels een korte geschiedenis van het aandeel van het populisme in de politiek van de afgelopen tien à vijftien jaar: veel Pim Fortuyn, LPF, Verdonk en Wilders derhalve. Maar dat wist ik eigenlijk allemaal al. Het leest makkelijk weg, dat wel.
In Holland staat een huis
Af en toe een boek van Hella S. Haasse, dat doet een mens goed. Er zijn er nog wel een aantal van haar die ik nog niet gelezen heb, dus ik kan me verheugen. Want eigenlijk bieden haar boeken steevast groot leesgenot. Haar stijl heeft een zachte cadans, haar zinnen zijn afgewogen zonder kunstmatigheid en soms komt ze grappig vilein uit de hoek. Huurders en onderhuurders dateert uit 1971 en biedt het fraaie verhaal over de bewoners van een huurhuis. Aanvankelijk bewaren de bewoners gepaste discretie tot elkaar, maar langzaam maar zeker raken de levens van eenieder onlosmakelijk met die van de anderen verbonden. Een kunstig en uitermate boeiend geheel, en door die prachtige zinnen ook stilistisch onweerstaanbaar.
26 februari 2010
Boerengeschiedenis
Vorig jaar las ik achter elkaar twee boeken van Frank Westerman (zie hier de leeslog). Ik kocht in één keer zijn drie andere boeken die ik nog niet gelezen had. Daarvan las ik nu eerst De graanrepubliek. Het is een geschiedenis van de akkerbouw en de landbouwpolitiek, het Oldambt met het communistische Beerta als meestbekende plaats, de carrière van Sicco Mansholt, en de relatie tussen natuurbescherming en landbouw ineen. Westerman hangt dit alles op aan de levensgeschiedenissen van enkele mensen in het Oldambt, zowat het verste stukje Nederland aan de Dollard. Westerman biedt met dit boek onderzoeksjournalistiek van de beste soort, wederom! Een nauwkeurige beschrijving van het boek vind je onder andere hier. Eigenlijk zou je die beschrijving alleen moeten lezen wanneer je niet intrinsiek geïnteresseerd bent in cultuurgeschiedenis van eigen bodem, want wanneer je dat wel bent moet je dit boek gewoon kopen en lezen. Westermans resterende titels (El Negro en ik en De brug over de Tara) volgen later.
22 februari 2010
Moeder en dochter
Na het oorlogsgeweld even wat lichters. Kathy's dochter van Tim Krabbé stond al een half jaar op mij plankje met nog te lezen boeken; ik las het in een dag uit. De literaire normen schrijven voor dat wanneer in een verhaal de hoofdpersoon Tim Krabbé heet die in alles (beroep, leeftijd, woonplaats, bezigheden) overeenkomt met de echte schrijver, je beiden toch niet mag vereenzelvigen. Maar over dit verhaal heeft Krabbé zelf verklaard dat het autobiografisch is. Die wetenschap maakt eigenlijk weinig uit, het verhaal is helder op zich. Het is een aardig gegeven: een jonge vrouw zoekt contact met de ik-figuur nadat haar moeder pas daarvoor vroegtijdig is overleden. Met die moeder had de ik-figuur bijna 40 jaar daarvoor een korte relatie. En prompt krijgen dochter en Krabbé ook een relatie. Erg diepgaand vind ik de roman niet (Krabbé houdt vooral veel van neuken), en meermalen tijdens het lezen had ik 'so what'-gedachten. Maar het las wel vlot weg en is na al dat oorlogsgeweld ook wel even gemoedelijk-eendimensionale lectuur.
20 februari 2010
Relaas in de vorm van een Suite
De Welwillenden van Jonathan Littell verscheen in 2006 in het Frans; in 2008 volgde de Nederlandse vertaling. Beide momenten zorgden voor veel publiciteit in kranten en op internetfora; wie de titel en de auteursnaam in google intikt krijgt meteen een waslijst aan links waar dit boek diepgravend wordt besproken en bediscussieerd. En terecht! Dit ‘in romanvorm gegoten verhaal van een van Himmlers (fictieve) ondergeschikten’ (zoals ik vorige maand aan het slot van mijn weblog over de biografie van de RFSS schreef - zie hier) is één van de meest indringendste en fascinerendste boeken die ik ooit las. De ik-figuur Max Aue presenteert zijn herinneringen over zijn rol als ss-officier tijdens de oorlog, met de jodenvervolging als rode draad. De chronologie van die herinneringen loopt gelijk aan de oorlog met de Sovjet-Unie, te beginnen op 22 juni 1941 met de inval in de Sovjet-Unie en eindigend rond 1 mei 1945. Aue is aanwezig bij de slachtingen op de joden in de Oekraïne en Wit-Rusland, uitgevoerd door de Einsatzgruppen, komt op de Kaukasus terecht, wordt eind 1942 voor straf naar Stalingrad overgeplaatst terwijl het Duitse 6e leger daar al omsingeld en wel stuiptrekkend zijn nederlaag tegemoet ging, weet uit die hel te ontsnappen, wordt vervolgens belast met de Arbeitseinsatz (het was in de loop van 1943 en in 1944 de laatste strohalm van de Duitsers: joden die konden werken waren opeens noodzakelijk om de oorlogsindustrie draaiend te houden…), brengt bezoeken aan Auschwitz en weet zich tenslotte uit handen te houden van de oprukkende Russen. Daartussendoor is Aue veel in Berlijn, op verlof om bij te komen en voor administratief werk, en maakt er de geallieerde bombardementen mee. Door zijn hoofdpersoon deze omzwervingen te laten maken, geeft Littell de lezer een zo gedifferentieerd mogelijk beeld van de Endlösung der Judenfrage vanuit het perspectief van de dader. Aue behoort niet tot de hardliners binnen de ss, maar staat wel op goede voet met hen, en wordt haast als vanzelf en zeker niet onwelwillend meegezogen in hun steeds systematischer methoden van moord. Hij begint als lage ss-officier, maar wordt tot zijn eigen verbazing enkele keren bevorderd en ontmoet regelmatig de ‘grote’ namen: Himmler, Eichmann, Höss, Speer en aan het slot zelfs Hitler. De kracht van de roman is het werkelijkheidsgehalte: nergens heb je de indruk dat wat Aue beschrijft verzonnen, fictie is. Deze roman is daarom de ultieme ontkrachting van mijn aanvankelijke overtuiging dat non-fictie altijd sterker is in het beschrijven van de werkelijkheid dan fictie (namelijk dat de werkelijkheid immers altijd indringender is cq meer voor zichzelf spreekt dan het verzonnen verhaal). Littell schijnt een enorme hoeveelheid feitenmateriaal verzameld te hebben voordat hij aan dit boek begon, en die feiten vormen zo’n logische eenheid met het verhaal van de ik-figuur dat je daardoor meer dan louter een roman leest. Ik heb al heel wat boeken over de Tweede Wereldoorlog gelezen, zowel romans als non-fictie, van micro to macro, van het dagboek van Anne Frank tot de biografie van Hitler en een minutieus verslag van de slag om Stalingrad, en alles wat daartussen zit, maar ik las nog nooit een boek dat zo’n krachtige aanval op mijn gemoedsrust deed. Soms bezorgde een avondlijke leessessie mij een uiterst onrustige slaap; dat gebeurde me voor zover ik kan herinneren niet eerder. Littell trekt een register technieken open om je als lezer bij de lurven te grijpen, maar dat is de vrijheid van de romanschrijver.Er valt over dit boek oneindig veel meer op te merken. De discussies op internet maken dat duidelijk. Ik laat het boek verder voor zichzelf spreken, door een lang citaat. De context: Duitsland ging zich pas in het voorjaar 1944 serieus met de Jodenvervolging in Hongarije bemoeien. De oorlog was toen voor Duitsland al verloren; toch zouden er nog vele honderdduizenden Joden uit Hongarije worden getransporteerd naar de vernietigingskampen. Max Aue roept de vraag op waarom hij die ‘morsige Hongaarse episode’ uit de doeken zou doen. Dan twee zinnen, een hele lange en een hele korte (op blz. 773 en 774) die zoveel zeggen en je als lezer platslaan; twee zinnen die mij bewijzen dat dit één van de beste boeken is die ik ooit las.
Maar om terug te komen op de vraag die ik opwierp, want ik ben een beetje afgedwaald, wat ik wil zeggen is dat er weliswaar geen twijfel bestond over het einddoel op zich, maar dat de meeste betrokkenen niet met dat doel voor ogen hun werk deden, dat ze niet daaraan hun motivatie ontleenden, zich niet daarom zo energiek en volhardend inzetten, er was een heel scala aan motivaties, en zelfs Eichmann, daar ben ik van overtuigd, stelde zich dan wel buitengewoon hard op, maar in feite liet het hem onverschillig of de joden nu wel of niet werden gedood, het enige wat voor hem telde was dat hij kon laten zien waartoe hij in staat was, hij wilde zich bewijzen en de capaciteiten die hij had ontwikkeld optimaal benutten, de rest interesseerde hem geen klap, de industrie niet en de gaskamers ook niet, het enige wat hem interesseerde was dat anderen zich voor hem interesseerden, en daarom deed hij zo minachtend over de onderhandelingen met de joden, maar daar kom ik nog op terug want dat was een boeiende zaak, en voor de anderen gold hetzelfde, iedereen had zo zijn overwegingen, het Hongaarse bestuursapparaat hielp ons omdat het de joden uit Hongarije weg wilde hebben, maar het hoefde echt niet te weten wat er verder met hen gebeurde, en Speer en Kammler en de Jägerstab wilden arbeiders en zaten de ss flink achter de vodden om die arbeiders te krijgen, maar wat er met de arbeidsongeschikten gebeurde kon hun geen donder schelen, en dan waren er ook nog allerlei praktische overwegingen, zo concentreerde ik me bijvoorbeeld volledig op de Arbeidseinsatz, terwijl dat niet de enige economische factor van belang was, zoals mij duidelijk werd tijdens een ontmoeting met een deskundige van ons ministerie van Landbouw en Voedselvoorziening, jong en zeer intelligent, een gedreven werker die me op een avond in een oud café in Boedapest inlichtte over het voedingsaspect van de zaak, namelijk dat Duitsland door het verlies van de Oekraïne te kampen had met een ernstig provianderingstekort, vooral met een gebrek aan graan, en zich daarom naar grootproducent Hongarije had gewend, volgens hem lag daar de hoofdoorzaak van onze pseudo-invasie, want deze bron van graan moest veilig worden gesteld, en in 1944 vroegen we de Hongaren dus om 450.000 ton graan, 360.000 ton meer dan in 1942, ofwel een toename van tachtig procent, en al dat graan moesten de Hongaren ergens vandaan halen, ze moesten toch ook hun eigen bevolking voeden, en laat die 360.000 ton nu overeenkomen met de hoeveelheid die nodig is voor ongeveer een miljoen personen, iets meer dan het totale aantal Hongaarse joden, en dus beschouwden de deskundigen van het ministerie van Voedselvoorziening de evacuatie van de joden door het RSHA als een maatregel met behulp waarvan Hongarije aan Duitsland het graanoverschot kon leveren dat voorzag in onze behoeften, en het verdere lot van de geëvacueerde joden, die in principe elders gevoed moesten worden als ze niet werden gedood, was geen punt van overweging voor deze jonge en al met al sympathieke, zij het enigszins door zijn cijfers geobsedeerde deskundige, want daar waren andere afdelingen van het ministerie van Voedselvoorziening voor, de voeding van gedetineerden en andere buitenlandse arbeiders in Duitsland was zijn zaak niet, voor hem was de evacuatie van de joden de oplossing voor zijn probleem, ook al riep dit voor iemand anders dan weer een probleem op. En deze man was niet de enige, iedereen was net zoals hij, ik ook, en als u in zijn schoenen had gestaan, zou u ook net zo zijn geweest als hij.
09 februari 2010
Porselein
Heel veel jaren geleden bevond ik mij eens in een rij voor een los kaartje voor een populaire operavoorstelling, en naast mij las iemand Utz van Bruce Chatwin. Ik ben die wat vreemde titel nooit echt vergeten; toen ik ruim een week geleden in Brussel langs een Engelse-boekwinkel liep en ik binnen deze titel weer zag, besloot ik het te kopen en te lezen, gevolg gevend aan de aansporing van een goede vriendin die mijn twijfels over mijn vermogen tot het lezen en begrijpen van Engelse boeken treffend tegensprak door te zeggen dat als je één keer een heel Engels boek leest en daaruit van iedere zin maximaal één woord dat je niet begrijpt opzoekt in het woordenboek, je dat daarna nooit meer hoeft te doen en je dan steeds vloeiender Engels leest. Enfin, wachtend op de trein terug las ik al bijna de helft van dit boekje van ruim 120 bladzijden, zonder woordenboek, en de rest in de dagen erna. Het gaat over Kasper Utz, een aristocratische Tsjechoslowaak die ten tijde van de Praagse Lente vanwege zijn Meissen-porseleinverzameling besluit niet naar het Westen te emigreren, maar in Praag te blijven. Hij mag weliswaar eens per jaar naar het Westen (Genève en Vichy), maar dat bevalt hem niet bepaald. Het is een stemmige roman uit de Koude Oorlog-periode. Ik weet nu wat mijn buurvrouw in die wachtrij aan het lezen was.
05 februari 2010
Asiel
Onderweg naar en van, en in Brussel - ik was er ruim 24 uur - las ik het enige nog regulier leverbare boek van Dimitri Verhulst dat ik nog niet gelezen had: Problemski Hotel. Dit boek komt voort uit een opdracht om voor een tijdschrift een artikel over asielzoekers te schrijven. Maar hij werkte zijn gegevens uit tot een boek van ruim 100 bladzijden. Daarin staat een Belgisch asielzoekerscentrum centraal en met name de verhalen van zijn bewoners. Veelal schrijnende verhalen, maar Verhulst weeft daarin ook tragikomische elementen die wederom een genot zijn om te lezen. Kom er maar eens op, wanneer je de overgang van winterweer naar dooi (zoals we onlangs weer eens hebben meegemaakt) samenvat met: 'Het gedwarrel gaat over in gezeik'. Verhulst moet maar eens een grote lijvige liefdes- of avonturenroman schrijven. Zijn kijk op de wereld is allesbehalve optimistisch en positief, maar zijn zinnen zijn groots en zijn observaties haarscherp.
25 januari 2010
RFSS
Wanneer je Heinrich Himmler. Hitlers belangrijkste handlanger van Peter Longerich uit hebt, kun je niet anders dan concluderen dat zonder Himmler de Holocaust in al zijn facetten stellig (veel) minder omvangrijk zou zijn geweest. De ondertitel doet vermoeden dat Himmler slechts uitvoerde wat Hitler beval, maar dat is een verkeerde conclusie. Hitler was bepaald geen tegenstander van de moord op de Joden, maar de meeste stappen in de ontwikkeling van de aanvankelijk geïmproviseerde naar de latere systematische moord kwamen uit de koker van Himmler, die zijn ideeën wel steeds wijselijk liet goedkeuren door zijn hoogste baas. Deze lijvige biografie is meer dan alleen een levensverhaal. In sommige stukken lijkt Himmler zelfs de grote afwezige: het boek beschrijft gedetailleerd de opkomst en organisatie van de SS, de uitvoering en impact van de vele verordeningen binnen en buiten die permanent veranderende organisatie en het onthutsende geschuif met grote groepen mensen door het Duitse rijk en de door Duitsland bezette gebieden. Himmler wist tot vlak voor het einde van de oorlog steeds meer macht naar zich toe te trekken; op een gegeven moment moest hij bepaalde taken weer afstaan omdat het ook Hitler opviel dat Himmler wel erg veel verantwoordelijkheden had. Een bedreiging voor Hitler is Himmler echter nooit geweest; zijn geloof in en trouw aan de Führer waren boven iedere twijfel verheven. Ofschoon de conclusie niet met zoveel woorden wordt getrokken – haast integendeel zelfs – lijkt het gedrag van Himmler het product van onverwerkte frustraties, obsessies en geldingsdrang. Opmerkelijk is zijn houding tot homoseksualiteit: in de jaren twintig was zijn belangrijkste voorbeeld en mentor niet Hitler, maar Röhm, de homoseksuele baas van de SA met wie in 1934 koelbloedig werd afgerekend. Dat gevoegd bij Himmlers moeizame en pas laat tot stand gekomen relaties tot vrouwen doet vermoeden dat zijn homofobie en de daaruit ontstane harde opstelling over homoseksualiteit binnen en buiten de SS (de broederschap moest niet te ver gaan) een psychische oorzaak hadden. Ook Himmlers over-harde opstelling tegen Joden, communisten, afvalligen of welke andere (in zijn ogen) tegenstanders van de eigen rechtvaardige leer en te voeren strijd dan ook, is misschien terug te voeren op vroegere onverwerkte frustraties en obsessies. Bewijzen voor die verbanden heeft Longerich niet, en speculatie daarover zou zijn biografie minder overtuigend maken. Maar als lezer probeer je toch verder te denken over wat je allemaal voorgeschotend krijgt. Het is een complete, soms haast over-complete biografie. Voor wie geïnteresseerd is in de Tweede Wereldoorlog een aanwinst. Het boek telt bijna 1000 pagina’s, waarvan driekwart verhaal en de rest noten en bibliografie. Tja, laat de Gründlichkeit maar aan een Duitser over…Himmler blijft een mysterie; een man die bevelen gaf waarmee miljoenen mensen nodeloos de dood werden ingejaagd, valt immers nooit te begrijpen. Mysteries boeien, hoe gruwelijk ze ook in wezen ook zijn. Ik ben na het uitlezen van dit boek meteen in het in romanvorm gegoten verhaal van een van Himmlers (fictieve) ondergeschikten begonnen; dat leek me een logisch vervolg om het mysterie verder te ontrafelen. Wanneer die evenzeer ruim 900 bladzijden gelezen zijn, volgt hier uiteraard de bespreking.
22 januari 2010
Jeugdherinneringen
20 januari 2010
Vriendschap
Bij uitgeverij Van Oorschot verschenen al eerder fraaie brievenboeken met oprichter Geert van Oorschot als schrijvend personage. Zijn correspondentie met Gerard Reve is natuurlijk geweldig, maar de in het najaar verschenen Briefwisseling 1951-1987 tussen dichteres M. Vasalis en Geert van Oorschot blijkt een waar hoogtepunt, en één van de mooiste brievenboeken die ik ooit las. In de eerste helft van dit boek vliegen de jaren voorbij, en zijn het vooral de integere dichteres en de uitdagende uitgever die naar elkaar schrijven, in een groeiende mate van vertrouwdheid en warmte. De tweede helft van dit boek beslaan de jaren 1985-1987, tot twee uur voor de aangekondigde dood van Van Oorschot. Deze helft en deze brieven zijn ronduit prachtig en ontroerend en laten een breekbare Van Oorschot zien die door de even oude Vasalis bij de les gehouden wordt. In deze periode schrijft Van Oorschot zijn mooiste brieven, en laat hij zich van zijn innemendste kant zien. Zijn beschrijvingen over zijn tuin zijn werkelijk bijzonder fraai; hier schrijft een groot schilder in woorden, aangemoedigd en geïnspireerd door een zelfbewuste en evenwichtige vrouw. Twee grote geesten die af en toe elkaar een brief schrijven - het recept voor een groots boek!
03 januari 2010
Oude grieken
Bij mijn favoriete (knusse en grappige) boekhandel zag ik een poosje terug een uitgave van Athenaeum-Polak & Van Gennep met twee stukken van Sofokles: Elektra en Filoktetes. De prijs (€ 14,63) deed vermoeden dat het al sinds de guldentijd daar in de kast stond. Ik ken Elektra van de opera van Richard Strauss; ik hoorde het stuk afgelopen zomer in een weiland in Friesland (zie hier de weblog daarvan), en later deze maand ga ik naar Brussel om het stuk weer te horen. Een goede aanleiding om het oorspronkelijke toneelwerk eens te lezen. Sofokles schreef ruim honderd stukken, waarvan er slechts zeven bewaard bleven, waaronder Elektra (ca 415 v.C.) en Filoktetes (409 v.C). Het laatstgenoemde stuk handelt om de wens van Odysseus om de boog van Herakles uit handen van Filoktetes te krijgen; in Elektra staat de wraak op de moord van Agamemnon centraal, uit te voeren door Orestes, de broer van Elektra. Dat eindigt (onbedoeld?) grappig. Nadat Klytaimnestra heeft moeten boeten, is Aigisthos aan de beurt:Orestes: ... Loop naar de plaats waar je mijn vader hebt gedood, daar zul je zelf ook sterven.
(...)
Aigisthos: Ga voor.
Orestes: Jij eerst.
Aigisthos: Bang dat ik je ontloop?
Orestes: Nee, dat je een dood krijgt naar je zin. Ik moet zorgen dat je einde pijnlijk is.
Nee meneer, gaat u voor! Na u, opdat ik u pijnlijk aan uw einde kan helpen....
02 januari 2010
2009: de balans
31 december 2009
Voor het lekker...

Zoals ik eerder deze week voor de tweede keer naar Puccini's opera La fanciulla del West ben geweest (zie hier de weblog daarvan), zo las ik op de valreep van 2009 voor de tweede keer Sisyphus' bakens, het eerder dit jaar verschenen vloekschrift van Jeroen Brouwers: voor het lekker. En ik heb wederom geschaterd en had tranen in mijn ogen van het lachen. Maar vooral: bewondering voor het ultieme meesterschap van Brouwers' argumentatiekunst en schrijfstijl. Dit is polemiek op het allerhoogste niveau. Bij mijn eerste leeslog schreef ik al dat ik het boek vaker zou gaan lezen. En dit was zeker niet de laatste keer!
Hollemannetje

Aan Gerardje. Notities van een Reve-liefhebber van Theodor Holman is veel op aan te merken. Allereerst de titel natuurlijk. Gerardje… Wie de hel denkt Theodorretje Hollemannetje wel dat-i is dat-i de titel van zijn boek over de grootste schrijver na de Tweede Wereldoorlog een verklein-koosnaampje kan meegeven? Holman heeft Reve een paar keer ontmoet, schijnt, maar een intimus is hij niet geweest. Verder geven veel notities in dit boek blijk van slordig- en flutterigheden. Wie schrijft nou een zin als (blz. 142): ‘We kunnen er rustig vanuit gaan dat dit klopt, aangezien Gerard zelden of nooit over zulke feiten in zijn boeken liegt.’ Op blz. 156 schrijft Holman over Jim Holmes (de Amerikaan die voor Reve erg belangrijk was bij zijn coming-out): 'Ik leerde hem een jaar of vijfentwintig geleden kennen (…). Hij kleede zich toen al helemaal in het leer.’ 2009 minus 25 is 1984; Holmes overleed in 1986 – als je twee jaar voor je dood ‘toen al’ iets deed… Blz. 162: ‘… dat de tweede Periode van Gerard behandeld.’ Blz. 260: ‘vanaf 1 mei 1971 lijkt Gerard regelmatig naar Simon Carmiggelt te schrijven. Dat is precies de periode dat zijn schrijversblok van vijf jaar voorbij lijkt, en zijn correspondentie aan Carmiggelt kan wellicht ook worden gezien als een breekijzer om dat blok te slechten.’ Twee bladzijden verder schrijft Holman over de brieven van Reve aan Carmiggelt: ‘ een complete bundeling’. Hoezo ‘vanaf 1 mei 1971 lijkt’? En de zin met ‘precies’ en ‘kan wellicht ook worden gezien’ is om te gruwen natuurlijk. Blz. 308: ‘… Hanny Michaelis, de enige vrouw met wie hij ooit getrouwd is geweest.’ Alsof het gewoon is om minstens met tig vrouwen getrouwd te zijn geweest… Holman heeft zich met dit semi-biografische schetsen-boek er met een jantje-van-leiden van afgemaakt, en het enkele maanden na dit boek verschenen eerste deel van de Reve-biografie van Nop Maas declasseert dit boek volledig. En toch heb ik dit notitiesboek dat een drietal maanden op mijn nachtkastje lag geboeid gelezen. Maar dat kwam door het onderwerp, dat zelfs tegen de flutterigste scribent stand houdt.
30 december 2009
Sex in the city
Ik kondigde al aan dat er meerdere boeken van Philip Roth voorbij zouden komen. Tijdens het lange kerstweekend las ik twee boeken van deze Amerikaanse veelschrijver. Portnoy's klacht is een voortdenderende klaagzang van een ik-figuur tegen een (fictieve) psycholoog. Centraal staat de sexuele obsessie van de ik-figuur, tijdens zijn jeugd tot aan het 'heden' in de roman, ergens eind jaren zestig. Het boek dateert van 1967 en de verteller is daarin 33 jaar oud. Het valt op dat Roth de romans die ik tot nu van hem las dikwijls in de tegenwoordige tijd van het schrijven/verschijnen van die roman laat spelen en dat de hoofdpersoon (dikwijls een ik-figuur) veelal even oud is als Roth op dat moment. Voor wat het waard is allemaal, want dat een ik-figuur niet met de schrijver geassocieerd moet worden, is bekend. Dit is de leukste roman van Philip Roth die ik las. Vooral de eerste helft, waarin het gezin centraal staat, biedt vele hilarische momenten. De strenge moeder en de deerniswekkende, aan constipatie lijdende vader: het zijn twee verrukkelijke tegenhangers van de eigenzinnige Alexander. Maar ook met 'de Aap', een vriendin van Alexander, verveel je je als lezer geen moment.
De borst kocht ik een poos terug in een antiquariaat. Het is een eigenaardige novelle waarin de ik-figuur door een mysterieuze ziekte in een enorme tepel verandert. Verwarring, kwaadheid, ongeloof en berusting zijn achtereenvolgens de stemmingen van deze ik-figuur. Waar Roth meestal wel helder is in zijn thematiek, laat De borst meer ruimte voor interpretatie. Ook in dit verhaal kun je de sexuele obsessie als hoofdonderwerp benoemen, maar zo helder als in Portnoy's klacht is dat in deze novelle geenszins.Wat De borst een beetje mist biedt Portnoy's klacht in perfectie: enorme vertelkracht.
24 december 2009
Stijl!
Mevrouw Verona daalt de heuvel af is in precies een jaar tijd het vierde boek dat ik van Dimitri Verhulst las, en na deze inhaalslag durf ik de stelling aan dat Verhulst - samen met Jeroen Brouwers - de beste Nederlandstalige auteur van dit moment is. Jeroen Brouwers bevindt zich in zijn 'fin de carrière' - Verhulst is nog geen veertig en ofschoon ik hoop dat Brouwers nog vele jaren heeft en vele boeken schrijft, is Verhulst de belofte voor de toekomst. Net als de drie eerdere boeken die ik van Verhulst las is dit boekje van ruim honderd bladzijden een parel van stilistisch meesterschap. Het verhaal is eenvoudig en staat op de achterflap samengevat, maar het zijn de details die dit boekje groots maken. Verhulst schreef dit vóór zijn bekroonde Godverdomse dagen op een godverdomse bol, en veel passages in Mevrouw Verona daalt de heuvel af lijken een oefening daarop. In die passages verlaat hij de verhaallijn en treedt hij in het abstracte, precies zoals in Godverdomse dagen. En dat alles met verbazingwekkend inzicht in het leven, geschreven in een stijl die mooier is dan mooi. Verhulsts beschrijvingen van het leven in het kleine dorpje Oucwègne zijn verrukkelijk: hoe een koe burgemeester wordt, hoe de kruidenierster aan haar pensioen komt en hoe mevrouw Verona een cello laat maken uit de boom waaraan haar geliefde zich ophing. Hoofdstuk 6 begint fenomenaal, maar omdat ik me moet beperken in het aantal citaten (het is moeilijk kiezen wat niet te citeren!) toch slechts die ene zin waar ik een kwartier lang mee bezig ben geweest, want wat is-i groots en mooi:Lezen dit boek, en de rest van Verhulst!
20 december 2009
Toneel!
Vooruitlopend op het verschijnen van het vijfde en laatste deel verhalen van Anton Tsjechow in januari las ik uit de eerste vertalingenreeks in de Russische Bibliotheek van Van Oorschot uit de jaren vijftig van zijn Verzamelde werken deel zes met zijn toneel. Enkele van Tjechows toneelstukken zag ik in het theater, maar ik las ze nog niet eerder. Naast de vijf min of meer bekende grote stukken (Iwanow, De meeuw, Oom Wanja, Drie zusters en De kersentuin) bevat dit boek ook enkele eenakters die als vingeroefeningen voor het grotere werk beschouwd kunnen worden, maar waartussen ook verrukkelijke stukken zitten. Die 'grote' vijf hebben eigenlijk veel overeenkomsten: ze lopen niet goed af, er is vooral veel onvrede over de huidige situatie en er komt op De kersentuin na een arts in voor. Tsjechow laat allerlei karakters vrolijk met elkaar botsen, en naast alle tragiek levert dat ook veel hilarische momenten op. Sommige opmerkingen van personages komen ogenschijnlijk uit de lucht vallen, maar maken dat je ook thuis in je leesstoel toeschouwer van een toneelbeeld bent waar op verschillende plekken wordt geconverseerd. Deze toneelstukken bieden net als Tsjechows verhalen een brede kijk op het Russische leven aan het einde van de negentiende eeuw, met name dat van de min of meer betere klassen, in Langs de grote weg echter ook dat van de berooiden in een herberg. Dat is één van de mooiere eenakters. Hilarisch is Het huwelijksaanzoek: anders dan de titel doet vermoeden wordt er op 80% van dit ruim 20 bladzijden lange stuk alleen maar gescholden. Voor de rol van de ingehuurde generaal bij het souper in De bruiloft zou je meteen willen aanmonsteren bij een toneelgezelschap. Tenslotte een voorbeeld van zo'n heerlijke uitspraak die zomaar uit de lucht kwam vallen, gedaan door reserve-luitenant en rentmeester Sjamrajew in De meeuw: