Ik las al meerdere boeken van de Turkse schrijfster Elif Shafak, die overigens in het Engels schrijft, en iedere keer erg origineel en goed. Haar laatste roman over Cyprus las ik tweeënhalf jaar geleden, zie hier. Nu haar nieuwste roman Er stromen rivieren in de lucht en ik durf wel te stellen dat het haar meest ambitieuze en veelomvattende is tot nu toe. Het is een boek om jezelf in te verliezen: drie verhaallijnen spelend halverwege negentiende eeuw en in 2014 en 2018, op verschillende plekken, en uiteindelijk in elkaar grijpend. Fictie, historie en verdichting, alles gaat door elkaar - en Shafak geeft er in een nawoord rekenschap van. Plaatsen van handeling zijn Londen en Irak. In de negentiende eeuw ontcijfert een intelligente jongen uit de Londense sloppen de teksten op kleitabletten uit het gebied bij de Tigris, en gaat er ook naartoe. En in 2014 wordt een meisje uit een religieuze minderheidsgroep door de ISIS-terroristen uitgehuwelijkt, maar daar is opeens de Engelse vrouw in 2018 die een wetenschappelijk onderzoek doet naar water en een beslissende rol in het leven van het meisje speelt. Het klinkt allemaal uiterst geconstrueerd, maar Shafak presenteert alles zodanig dat je ademloos geboeid bent. En ondertussen doorspekt ze haar verhalen met romantiek en een enorme feitenkennis. Voor wie nog nooit iets van haar las: nu doen!
Sinds 1989 houd ik een boekendagboek bij. Eerst op systeemkaartjes, daarna in een schrift. En sinds 2005 hier als weblog.
16 maart 2026
14 maart 2026
Toekomst
Mijn laatste boeklog dateert van anderhalve maand geleden; in de tussentijd las ik minder vanwege een mentale ongesteldheid door een uurtje storm windkracht 17 rond 5 uur 's nachts, eind januari. Daardoor drie weken geen stroom en dus ook geen internet en ander ongemak. Maar alles is weer goed, en vlak voor het natuurgeweld las ik de nieuwste roman van Ian McEwan, die achteraf gezien voorspellend leek. Het heden in Wat we kunnen weten speelt zich af in 2119 en dan gaat een wetenschapper op zoek naar een verloren gewaand gedicht dat de beroemde dichter Francis Blundy ruim honderd jaar daarvoor als verjaardagscadeau tijdens een diner met vrienden aan zijn vrouw aanbood. In de tussentijd, ergens rond 2050, is door een onbedoeld uit de hand gelopen kernoorlog de halve wereld vergaan, maar gaat het leven toch verder. Het is wederom een grandioze roman van McEwan. De ogenschijnlijke futuristische situatie is geheel voorstelbaar, en tegelijkertijd gaat het over wetenschap, relaties, standverschillen en nog veel meer. McEwan verbindt alles aan elkaar, vol eruditie en vloeiende vertelkracht. Las ik zijn vorige roman Lessen met groeiende verbazing en waardering voor McEwans vertelkracht (zie hier de weblog), dat deed ik bij Wat we kunnen weten bepaald niet minder.

