30 december 2024

Correspondentie

In 2021 en 2022 herlas ik de twee delen Kroniek van een karakter, de grandioze brievenboeken van Jeroen Brouwers met een selectie brieven uit de periode 1976-1986. Zie hier en hier de weblogs. In de laatste weblog schreef ik dat er nog veel meer brieven van Jeroen Brouwers moesten zijn, en nu verscheen dan eindelijk, ruim twee jaar na de dood van Brouwers, een eerste bundel. Briefwisseling 1968-1986 is een royale uitgave met de volledige overgeleverde briefwisseling tussen Jeroen Brouwers en Geert van Oorschot, de markante uitgever die in 1987 overleed. Van Van Oorschot waren ook al enkele briefwisselingen verschenen, onder andere met Reve (hier de weblog), Vasalis (hier) en Hermans (ik las dat boek voordat ik aan deze leeslog begon). Deze drie laatsten publiceerden allen bij Van Oorschot; Reve en Hermans kregen op een gegeven moment ruzie met de uitgever en verhuisden naar andere uitgeverijen. Het bijzondere aan de briefwisseling tussen Brouwers en Van Oorschot is dat Brouwers nooit bij Geert van Oorschot publiceerde. Ze leerden elkaar kennen bij een literaire bijeenkomst in de Amsterdamse Bijenkorf, waarna een levendige correspondentie ontstond die vooral in de late jaren zestig en begin zeventiger jaren heel frequent was. Het is een geweldige verzameling brieven waarin Brouwers en Van Oorschot weinig voor elkaar onderdoen, en zich ook naar elkaar niet inhouden. Verder veel uitwisseling van meningen over het literaire wereldje en over Brouwers' bijdragen aan Tirade, het literaire tijdschrift dat Van Oorschot uitgaf. Maar bovenal schreven beiden hun brieven in een grandioze stijl. Moge er nog meer bundels met brieven van Jeroen Brouwers volgen!
Daags na het uitlezen van deze briefwisseling las ik het dunne boekje Het tuurtouw. Ter herinnering aan Geert van Oorschot, dat Brouwers in 1989, dus twee jaar na de dood van Van Oorschot publiceerde. Ik kocht het pas in 1995 maar kon in mijn leesschrift niet terugvinden dat ik het toen ook gelezen heb. Het is een typisch Brouwers-geschrift waarin hij open en eerlijk zijn relatie met Van Oorschot beschrijft. Ook een aantal citaten uit brieven, die ik pas daarvoor ook al gelezen had. 

29 december 2024

Stad- en landleven


Ruim tien jaar geleden las ik kort na elkaar de eerste twee delen van de verzamelde werken van Ivan Boenin (zie hier en hier de weblogs). Nu dan eindelijk zijn Verzamelde werken deel 3 uit de Russische bibliotheek van uitgeverij Van Oorschot. De helft van dit zeshonderd pagina's dikke deel wordt ingenomen door de roman Het leven van Arsenjev, de andere helft door de laatste verhalen die Boenin tussen 1939 en 1952 schreef. De roman is autobiografisch en verhaalt over hoe de ik-figuur zich losweekt van zijn ouderlijk huis in de verre provincie en probeert om in steden zijn weg te vinden. Er wordt in dit laat-tsaristische tijdperk veel gereisd met treinen en op paarden, en Boenins beschrijvingen van de natuur en de weerslag daarvan op het gemoed van de ik-figuur zijn werkelijk prachtig. Waar bij andere schrijvers zulke beschrijvingen een tragische of onheilspellende ondertoon hebben, zijn die bij Boenin gewoon wat ze zijn, en laat hij het aan de lezer over welke betekenis deze eraan geeft. De tweede helft van het boek met de verhalen zijn minder indrukwekkend, maar goed: sommige zeer lezenswaardig en bepaald tragisch. Boenin lezen is fijn-lezen.

25 december 2024

Kronkels

De tijd vliegt. In mijn herinnering was het korter geleden dat ik voor het laatst een deeltje uit mijn 24-delige volledige verzameling Kronkels van Simon Carmiggelt las, maar het is alweer ruim vier jaar geleden. Zie hier. In die weblog links naar eerdere gelezen boeken van Carmiggelt. Ik las dit laatste deel op weg naar en in Sri Lanka, eind 2019, begin 2020. Daar besloot ik definitief om in Portugal te gaan wonen, wat een jaar later gebeurde. Dit terzijde. Morgen zien we wel weer & Je blijft lachen biedt tegen de tachtig Kronkels die Carmiggelt in 1967 en 1968 voor Het Parool schreef. Toen ik vlak voordat ik aan deze weblog begon het boek opensloeg en zomaar een halve pagina las, moest ik weer enorm schateren. Wat kon Carmiggelt toch vreselijk grappig schrijven. Maar soms spat ook de weemoedigheid van de pagina's, wanneer hij verhaalt over treurige cafébezoekers en andere figuren voor wie het leven te vermoeiend is. Maar bovenal: wat was hij een groot stilist. Nog veel ongelezen delen uit die verzameling om zomaar een greep uit te doen!

09 december 2024

Chef 2

Begin vorig jaar las ik het eerste deel van de tweedelige biografie van Willem Mengelberg, de tweede chefdirigent van het Concertgebouworkest, zie hier de weblog. Anderhalf jaar later het tweede deel. Willem Mengelberg. Een biografie 1920-1951 beschrijft de carrière van Mengelberg op zijn hoogtepunt, maar zeker ook de diepe val die hij daarna maakte. Het eerste deel eindigt met het Mahlerfeest in 1920, dat Mengelberg en het Concertgebouworkest op de kaart zette als de combinatie voor de beste uitvoeringen van de symfonieën van deze in 1911 overleden componist. In de jaren daarna verlegde Mengelberg zijn werkterrein deels naar de Verenigde Staten. Hij werd er chef van het National Symphony Orchestra in New York dat al vrij snel fuseerde met de Philharmonic Society, in het New York Philharmonic Orchestra. Mengelberg was misschien wel de beste orkestpedagoog ooit: hij wist eerst het National Symphony Orchestra en daarna het fusieorkest New York Philharmonic te trainen, professionaliseren en tot kwaliteitsorkesten te maken. Iets wat hij eerder al vanaf 1895 met het Concertgebouworkest had gedaan. Toscanini nam al snel het stokje bij de New York Philharmonic over en werkte Mengelberg er definitief uit, waarna Mengelberg zich weer vaker in Amsterdam liet zien. En ja, toen kwamen in 1940 de Duitsers en vergaloppeerde Mengelberg zich volledig. In juli 1940, twee maanden na de Duitse inval in Nederland, dirigeerde Mengelberg de Berliner Philharmoniker in Berlijn, en gaf er een interview aan de uitgesproken nazi-krant Völkischer Beobachter die er niet om loog. Het kwam daarna niet meer goed. Mengelberg laatste concert was in Parijs, vlak na D-day: een concert voor Duitse soldaten die de dag erna richting Normandië werden gestuurd. Frits Zwart schreef ook met dit tweede deel een gedegen biografie van een groot orkestleider, die daarnaast vaak ziek in zijn Zwitserse chalet zat en die door onhandige beleggingen nauwelijks financieel van zijn sterstatus kon profiteren. Zwart laat geen detail onvermeld; dat maakt de biografie soms ook wat doorwrocht. Het proces over Mengelbergs houding tijdens de oorlog wordt van dag tot dag beschreven. De bijlagen bieden veel nuttige informatie, onder andere alle uitvoeringen van werken van Mahler. Opvallend is dat Mengelberg sinds het Mahlerfeest ieder jaar wel Mahler uitvoerde - hij wist zelfs tijdens het eerste jaar van de bezetting (in oktober 1940) nog twee keer Mahlers Eerste symfonie op het programma te zetten. Meer opvallend: hoe vaak hij ook Mahler dirigeerde, de Zesde symfonie dirigeerde hij volgens deze bijlages in de beide biografie-delen slechts twee keer. De reden daarvoor laat Zwart onvermeld. Ten slotte: op de website www.willemmengelberg.nl zijn al zijn opnames te beluisteren, waaronder twee opnames (in New York en in Amsterdam) van zijn échte lijfstuk: Ein Heldenleben van Richard Strauss. Of misschien was het dan toch de Matthäus Passion van Bach, die hij jaarlijks uitvoerde en daarmee de grondlegger van de Nederlandse Bach-passietraditie werd?